Al jaren laait de discussie regelmatig op: moeten vrijgevestigde medisch specialisten verplicht in loondienst komen?
Voorstanders wijzen op betere bestuurbaarheid van ziekenhuizen, meer gelijkgerichtheid en mogelijk lagere zorgkosten. Tegenstanders betwijfelen of loondienst daadwerkelijk leidt tot betere zorg en vrezen dat ondernemerschap en innovatie verloren gaan. Maar hoe staat het eigenlijk met deze plannen? En komt een verplichte overstap naar loondienst er daadwerkelijk?
Hoe zit het nu?
Nederland kent momenteel twee modellen. Een deel van de medisch specialisten werkt in loondienst van een ziekenhuis. Een ander deel is vrijgevestigd en verricht zijn werkzaamheden vanuit een medisch specialistisch bedrijf (MSB) of een vergelijkbare samenwerkingsvorm.
Bij de universitaire medische centra werken alle specialisten al jarenlang in loondienst. In algemene ziekenhuizen komen beide modellen naast elkaar voor. Volgens recente cijfers werkt ongeveer 70% van de medisch specialisten in loondienst en circa 30% als vrijgevestigd specialist. In algemene ziekenhuizen ligt dat beeld echter anders: daar is een ruime meerderheid van circa 65% nog steeds vrijgevestigd.
Waarom wilde de politiek specialisten in loondienst brengen?
De discussie wordt al jaren gevoerd. Voorstanders stellen dat loondienst kan bijdragen aan:
- meer bestuurbaarheid van ziekenhuizen;
- betere samenwerking tussen ziekenhuis en medische staf;
- het wegnemen van financiële productieprikkels;
- betere aansluiting bij de doelstellingen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA) rondom passende zorg;
- beheersing van de collectieve zorguitgaven.
Aan deze argumenten ligt de gedachte ten grondslag dat een ziekenhuis beter kan worden aangestuurd wanneer alle medisch specialisten binnen dezelfde organisatorische en hiërarchische structuur werkzaam zijn. Voorstanders verwachten dat hierdoor meer bestuurbaarheid, gelijkgerichtheid en samenhang ontstaat tussen de strategische doelstellingen van het ziekenhuis en de medische staf.
Daarnaast wordt aangevoerd dat het verdienmodel van vrijgevestigde specialisten een financiële prikkel kan bevatten die samenhangt met de omvang van de geleverde zorg. De gedachte daarachter is niet dat medisch specialisten bewust onnodige zorg leveren, maar dat het systeem zelf productieprikkels kan bevatten die niet altijd aansluiten bij de beweging naar passende zorg. Een loondienstmodel zou deze prikkels volgens voorstanders kunnen verminderen, omdat de inkomsten van specialisten minder direct samenhangen met het aantal verrichtingen of behandelingen. Daarmee zou beter aansluiting worden gevonden bij de doelstellingen van het Integraal Zorgakkoord, waarin het leveren van passende zorg centraal staat.
Of deze veronderstellingen in de praktijk daadwerkelijk leiden tot verschillen in zorguitgaven, behandelvolumes of bestuurbaarheid, wordt in onderzoek echter niet eenduidig bevestigd.
Wat gebeurde er politiek?
Op 5 november 2024 werd een motie ingediend waarin werd gevraagd om vóór de zomer van 2025 met een voorstel te komen om medisch specialisten in loondienst te brengen.
Vervolgens presenteerde de minister van VWS op 19 maart 2025 drie mogelijke scenario’s:
- een vrijwillige collectieve overstap naar loondienst;
- verplichte loondienst voor alle medisch specialisten;
- verplichte loondienst uitsluitend voor nieuwe toetreders.
Dat leek een belangrijke stap richting een stelselwijziging. Maar daarna veranderde het politieke landschap. In het regeerakkoord van het kabinet-Jetten van 30 januari 2026 komt verplichte loondienst voor medisch specialisten niet meer terug. Daarmee lijkt het onderwerp voorlopig geen politieke prioriteit meer te hebben. Bovendien lijkt in de huidige Tweede Kamer geen meerderheid aanwezig voor een verplichte overgang naar loondienst. Voorlopig lijkt een verplichte overstap daarom verder weg dan een jaar geleden.
Meer weten over dit onderwerp?
Vraagt u zich af wat deze ontwikkelingen betekenen voor uw organisatie of beleid? Neem gerust contact op.
Is loondienst daadwerkelijk de oplossing?
Daarover bestaat veel minder consensus dan soms wordt gedacht. Diverse onderzoeken laten verschillende uitkomsten zien. Vooralsnog bestaat geen eenduidig bewijs dat een loondienstmodel automatisch leidt tot lagere zorguitgaven, betere samenwerking, meer passende zorg of een effectievere bestuursstructuur.
Ook de praktijk laat een genuanceerder beeld zien. Conflicten tussen raden van bestuur en medische staven komen niet alleen voor bij vrijgevestigde specialisten. Ook binnen organisaties waar alle specialisten in loondienst zijn, kunnen verschillen van inzicht ontstaan over strategie, kwaliteit, productie, financiën of de koers van het ziekenhuis.
Dat is ook niet verrassend. Samenwerking ontstaat uiteindelijk niet door de juridische vorm van de arbeidsrelatie, maar door gedeelde belangen, vertrouwen en goed bestuur. De juridische structuur kan samenwerking ondersteunen, maar vormt zelden de doorslaggevende factor.
De strategische realiteit van de Zelfstandigenwet
Hoewel de discussie over verplichte loondienst voorlopig lijkt te zijn afgekoeld, kan via een andere route opnieuw beweging ontstaan. Het kabinet werkt namelijk aan een Zelfstandigenwet, die meer duidelijkheid zou moeten geven over de vraag wanneer iemand daadwerkelijk als zelfstandige kan worden aangemerkt. Volgens de contouren die tot nu toe bekend zijn, wordt gedacht aan een toetsingskader waarbij onder meer wordt gekeken naar ondernemerschap en de wijze waarop de werkrelatie feitelijk is ingericht.
- De zelfstandigentoets: hierin wordt getoetst of de specialist echt als ondernemer opereert, bijvoorbeeld door te kijken naar het lopen van ondernemersrisico, eigen investeringen en het voeren van een zelfstandige administratie.
- De werkrelatietoets: deze toets kijkt kritisch naar de relatie met het ziekenhuis. Hierbij staat de ‘organisatorische inbedding’ centraal: is de arts onderdeel van de kernactiviteit van het ziekenhuis en hoe ver reikt de aansturing?
Met name de vraag in hoeverre een vrijgevestigd specialist organisatorisch is ingebed in het ziekenhuis kan in de toekomst een interessant juridisch vraagstuk worden. Mocht deze wet worden ingevoerd, dan kan op termijn ook de vraag opkomen hoe vrijgevestigde medisch specialisten binnen dit nieuwe toetsingskader moeten worden beoordeeld. Juist de organisatorische inbedding kan daarbij een juridische angel worden. Vooralsnog is daar echter nog veel onduidelijkheid over.
Mijn observatie vanuit de ziekenhuispraktijk
In de dagelijkse praktijk lijkt deze discussie soms verder van de werkelijkheid af te staan dan in Den Haag wordt gedacht.
Ziekenhuizen staan momenteel voor grote uitdagingen: personeelstekorten, vergrijzing, een toenemende zorgvraag, oplopende werkdruk en een hoog ziekteverzuim. Tegen die achtergrond rijst de vraag of een verplichte overstap naar loondienst daadwerkelijk bijdraagt aan betere, toegankelijkere en betaalbare zorg.
Ook vanuit de ziekenhuispraktijk wordt regelmatig de vraag gesteld of loondienst niet wordt gepresenteerd als oplossing voor problemen die daar in werkelijkheid weinig mee te maken hebben. Personeelstekorten, vergrijzing en werkdruk verdwijnen immers niet doordat de juridische vorm van de samenwerking verandert.
Daarnaast blijkt de praktijk vaak complexer dan in het publieke debat wordt voorgesteld. Binnen Gelre Ziekenhuizen werken zowel medisch specialisten in loondienst als vrijgevestigde medisch specialisten. De vrijgevestigde specialisten zijn georganiseerd in een coöperatie en worden via het coöperatiebestuur vertegenwoordigd richting het ziekenhuis. Daardoor ontstaat op bestuurlijk niveau een vorm van gelijkgerichtheid die niet wezenlijk anders hoeft te zijn dan wanneer specialisten in loondienst werkzaam zijn.
Tegelijkertijd leert de praktijk dat spanningen en verschillen van inzicht niet exclusief zijn verbonden aan één organisatiemodel. Discussies kunnen ontstaan tussen raden van bestuur en vrijgevestigde specialisten, maar net zo goed tussen raden van bestuur en medisch specialisten in loondienst. Ook binnen vakgroepen onderling of tussen verschillende groepen specialisten kunnen uiteenlopende belangen bestaan. De juridische vorm van de samenwerking neemt die dynamiek niet weg.
Dat betekent niet dat loondienst geen voordelen heeft. Evenmin betekent het dat het model van vrijgevestigde specialisten heilig is. Maar de veronderstelling dat verplichte loondienst vanzelf leidt tot betere zorg, lagere kosten of betere samenwerking lijkt vooralsnog onvoldoende bewezen.
De discussie lijkt vaak te gaan over de juridische vorm van de samenwerking, terwijl de praktijk laat zien dat zaken als vertrouwen, professionele autonomie, gedeelde belangen en goed bestuur waarschijnlijk veel bepalender zijn voor het functioneren van een ziekenhuis.
Conclusie
De politieke ambitie om alle medisch specialisten verplicht in loondienst te brengen lijkt voorlopig naar de achtergrond verdwenen. Dat betekent niet dat de discussie voorbij is. De mogelijke komst van een Zelfstandigenwet kan op termijn opnieuw vragen oproepen over de positie van vrijgevestigde medisch specialisten.
Voor nu lijkt één conclusie gerechtvaardigd: er is vooralsnog geen overtuigend bewijs dat verplichte loondienst op zichzelf leidt tot betere samenwerking, betere bestuurbaarheid of lagere zorgkosten.
De discussie lijkt daarom minder te gaan over de vraag of medisch specialisten in loondienst moeten werken en meer over de vraag hoe ziekenhuizen en medische staven gezamenlijk invulling geven aan goede zorg, professioneel bestuur en een duurzame organisatie van de zorg. Misschien is dat wel precies waarom deze discussie al jaren voortduurt en nog altijd geen definitief antwoord kent.
In gesprek
Heeft u een arbeidsrechtelijke vraag of wilt u een situatie verkennen? Neem gerust contact op voor een eerste verkenning.
CONTACT
+31 628 884 624
info@kade44.nl
LinkedIn